Bij de werkenden variëren de plussen van ½ procent tot 1½ procent (2 procent voor een alleenstaande ouder met een modaal inkomen).
Bij de sociale minima gaat een paar met kinderen er een ½ procent, een alleenstaande ouder met 1½ procent en een alleenstaande met 0 procent op vooruit. Een alleenstaande en een paar met alleen AOW gaan er beiden met een ½ procent op vooruit. Beide groepen met een klein aanvullend pensioen zitten op de nullijn.
Zo luidt het koopkrachtoverzicht volgens de Begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2009. Voor het beloofde 'zoet' komen dus, zonder deugdelijke motivering, niet alle groepen in aanmerking.
Verder gaat het om statische standaardberekeningen en staan er ons onzekere economische tijden te wachten.
De cijfers van het Centraal Planbureau (CPB) geven een ander beeld. Uitkeringsgerechtigden leveren in 2009 een ½ procent in, dat voor de alleenstaanden onder hen zelfs kan oplopen tot een koopkrachtverlies van 1½ procent. AOW'ers hebben gemiddeld evenveel te besteden, maar de alleenstaanden onder hen gaan er 1¼ procent op achteruit.
Hoe kan dat nu, zult u vragen. Het venijn zit in de staart. Doordat de overheid voor alleenstaanden een in negatieve zin afwijkend inkomensbeleid voert, wijken de gehanteerde gemiddelden bij de koopkrachtberekeningen voor hen in negatieve zin af van de berekeningen voor paren en gezinnen.
Wij noemen als één mogelijk voorbeeld de huurtoeslag.
In 2008 bedraagt de minimaal voor eigen rekening blijvende huur, de minimumnormhuur, zowel voor alleenstaanden als voor samenwonenden 184,85 euro. Die wordt verhoogd met de zogenoemde normhuur van 16,52 euro. Opgeteld levert dat de zogenoemde minimum basishuur op van 201,37 euro.
Het verraderlijke van de normhuur is, dat deze in een vast bedrag wordt vastgesteld. Dat drukt zwaarder op het voor alleenstaanden lagere toegestane inkomen voor de huurtoeslag. Daardoor bedroeg in 2007 op bijstandsniveau de voor eigen rekening blijvende huur voor alleenstaanden 24 procent, voor meerpersoonshuishoudens 16,7 procent. Toch was voor beide groepen de totaal voor eigen rekening blijvende huur gelijk.
Elk jaar wordt de huurtoeslag, evenals de lonen, in beginsel geïndexeerd en wordt de voor eigen rekening blijvende huur ook verhoogd. Op minimumniveau kan dan de gemiddelde verhoging gelijk zijn, maar in percentage van de koopkracht verschillen. Wij vermoeden dat daardoor de verschillen in koopkrachtberekeningen optreden tussen die van het CPB en die van de overheid. Dat wil CISA nog uitzoeken.