• Nieuws
  • 14-03-2017

Gelijke behandeling? Niet voor alleenstaanden!

door Lenie de Zwaan

Alle burgers zijn gelijk, maar sommige burgers meer dan andere. Artikel 1 van de Grondwet luidt weliswaar zoals u weet, dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld: 'Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan', luidt de geruststellende verkondiging van onze rechtsstaat. Toch zit er een addertje onder het juridische gras. Bij het gelijkheidsbeginsel, dat dit ideaal van burgerlijke gelijkwaardigheid moet stutten, is het begrip gelijke behandeling zo vormgegeven dat het beginsel niet automatisch voor iedere burger effectief van toepassing is. Om bij ongelijke behandeling met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel te kunnen doen, moet de burger in beginsel tot een geselecteerde juridische doelgroep behoren. Een succesvolle uitslag daarvan is eveneens afhankelijk van interpretatie. Immers, de juridische praktijk is geen wiskundige, exacte kwestie. Zo kent het gelijkheidsbeginsel twee aspecten: een zogeheten formele gedaante en een materiële, inhoudelijke gedaante. Over dit verschil zijn vele bladzijden volgeschreven. Voor nu is het belangrijkste de materiële toepassing, waarbij het vooral gaat om de uitkomst en de sociale gelijkheid. Zo is er sprake van ongelijke behandeling wanneer de fiscus bij een nalatenschap van een alleenstaande een goede vriend(in), broer, zus, oom of tante als een toevallige passant behandelt. Dit is in strijd met de sociale werkelijkheid en verdient dan ook het stempel ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. Over deze en soortgelijke ongelijkheid gaat de volgende bijdrage.

Gelijkwaardigheid van sociale bindingen
De bekende emeritus hoogleraar Herman Pleij heeft goed begrepen dat een samenleving uit meer bestaat dan de traditionele huwelijkse verbintenissen. In het dagblad Trouw van 13 februari 2016 voert hij Erasmus op als de filosoof met talent voor vriendschap. Voor vrienden, zegt hij, ging Erasmus door het vuur. De eenzijdige idee van de huwelijkse leefvorm als de [enige] volwaardige levensbestemming van de menselijke soort is, geschiedkundig bezien, van vrij recente datum. In de zorg om de deugdzaamheid hebben religieuze en wereldlijke gezagsdragers gepoogd de natuurlijke driften van de mens in goede banen te leiden. De vorm waarin dat gebeurde, was afhankelijk van de tijd en de omstandigheden waarin men leefde. De zorg om de deugdzaamheid, maar ook de bescherming van gevestigde posities en de angst voor het onbekende, dreef religieuze en wereldlijke leiders er toe ordening aan te brengen in de samenleving. Hoeksteen van de religieuze orde zou het celibaat worden, hoeksteen van de sociale orde het wettig huwelijk. Georges Duby beschrijft in zijn boek Ridder, vrouw en priester*) op een aantrekkelijke, soms humoristische wijze hoe in de feodale tijd tussen de tiende en twaalfde eeuw, een scherpe scheiding werd aangebracht tussen de wereld van de kuisen en de onkuisen. Kuisen waren zij die niet trouwden, en dus celibatair leefden. De onkuisen waren daarentegen de echtelieden, die zich niet aan het huwelijk hadden weten te onttrekken. Ik kan de lezers het boek van harte aanbevelen. Het geeft veel inzicht in de wijze waarop het gezinsmodel Europa veroverde. Sindsdien zijn de opvattingen over de inrichting en ordening van de samenleving sterk veranderd en is er in maatschappelijke zin meer ruimte gekomen voor een diversiteit aan leefverbanden. Daarbij past echter enige nuancering. Homoseksuele en lesbische verbintenissen, apart wonen, het is allemaal mogelijk. Maar ook hier geldt: om mensen voordelige regelingen deelachtig te doen worden, grijpen overheden feitelijk veelal nog steeds terug op het in een modern jasje verscholen huwelijksmodel. Voorbeelden hiervan laten we hieronder nogmaals kort de revue passeren.

Belastingheffing naar politieke voorkeur

Inkomstenbelasting
Bij de inkomstenbelasting slaat de fiscus alleenstaanden hoger aan dan samenwonenden, zelfs hoger dan tweeverdieners, waardoor de laatsten ruim 400 euro per maand fiscale winst boeken ten opzichte van de singles. Hier lijkt belasting naar draagkracht gedegradeerd tot een speciale voorkeur van de wetgever voor specifieke samenlevingsvormen van twee of meer personen.

Erfbelasting
Ook bij de erfbelasting zijn de huwelijkse verbintenissen favoriet. Hier eigent Vadertje Staat zich een onevenredig deel toe van de nalatenschap van de single, die deze had bestemd voor één of enkele personen die hem dierbaar waren. De fiscus doet net of alleenstaanden geen naasten en familie hebben en dat daarom hun sociale verwanten - broers/zussen, neven/nichten en duurzame vrienden - bij de erfbelasting met het hoogste belastingtarief mogen worden belast. De achterblijvende partner van de fiscaal goedgekeurde huwelijkse verbintenis geniet in vergelijking met de nabestaande van een alleenstaande een bijna 300 maal zo grote voetvrijstelling [636.180 euro] in vergelijking met de nabestaande van een alleenstaande [2.122 euro]. De onevenredigheid strekt zich verder uit tot in de tarieven. Terwijl tot 121.902 euro een nabestaande partner 10 procent belasting en daarboven 20 procent belasting betaalt, offert een nabestaande vriend of familielid van een alleenstaande respectievelijk 30 tot 40 procent. De naasten van alleenstaanden worden door de fiscus als volkomen vreemden beschouwd. Naast het erfrecht staan ook in het schenkingsrecht de huwelijkse en verwantschapsrelaties centraal.

Inkomensherverdeling via verzekeringen

Verzekering ziektekosten/basisverzekering
Voor de zorgverzekering [basisverzekering] moet, naast een nominale premie [vast bedrag] van gemiddeld zo'n 100 euro per maand, een inkomensafhankelijke bijdrage worden betaald over het inkomen tot maximaal 52.763 euro per jaar. Die bijdrage kan oplopen tot 2.902 euro. Samen komt dat op maximaal ruim 341 euro per maand. De ver doorgeschoten inkomensafhankelijke bijdrage is te danken aan de gratis meeverzekering van kinderen, ongeacht het aantal per gezin en de inkomenspositie van de ouders. Daardoor bestaat er door deze zelfgekozen en onbeperkt aangegane risico's geen enkele relatie meer tussen de hoogte van de premie en de rechten.

Wet langdurige zorg
(voorheen: Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ)) Alleenstaanden blijken bij langdurige verpleging in een zorginstelling, ondanks een fikse verzekeringspremie van jaarlijks 12,65 procent van het inkomen, veelal niet of slechts beperkt verzekerd te zijn. Bij kortdurende opname in de instelling is, afhankelijk van het inkomen, sprake van respectievelijk een lage eigen bijdrage van minimaal 159,80 euro en maximaal 838,60 euro. Daarna loopt dit bij langdurige opname voor alleenstaanden op tot maximaal ruim 2.301 euro per maand (de hoge bijdrage). Dat heet de maximale 'bijdrage' te zijn, maar is het bedrag van de totale verplegingskosten. Het betreft namelijk geen bijdrage in de kosten, maar wederom een rekening die via premies reeds is voldaan. Daar bovenop wordt bij de lage bijdrage voor de alleenstaande bezitter van een vermogen nog eens 8 procent daarvan boven de vrijstelling in box 3 bij het bijdrageplichtig inkomen opgeteld. Iemand met een thuiswonende partner betaalt, ongeacht het (gezamenlijk) inkomen, de lage bijdrage.

Gemeenten en provincies

Gemeenten
Op een enkele gunstige uitzondering na, brengen gemeenten alleenstaanden veelal [bijna] evenveel in rekening voor de verwerking van huisvuil (afvalstoffenheffing) als gezinnen en samenwonenden, terwijl een meerpersoonshuishouden meer afval produceert dan een eenpersoonshuishouden. Voor rioolrechten geldt vaak hetzelfde.

Provincies en Waterschappen
De waterschappen, ook wel hoogheemraadschappen genoemd, hebben met ingang van het jaar 2009 krachtens de nieuwe Waterschapswet als belangrijkste wijziging de watersysteemheffing ingevoerd. Daarin is toen de ingezetenenheffing opgenomen. Als gevolg daarvan werd het totaalbedrag van de tarieven vooral voor alleenstaanden sterk verhoogd. Voor alleenwonenden in een huurhuis steeg het totaalbedrag met 37 procent, voor een meerpersoonshuishouden met circa een derde daarvan, 12,5 procent. Alleenwonenden in een koopwoning zagen het totale tarief stijgen met 24 procent; voor een huishouden met meerdere personen, wonend in een vergelijkbare woning, werd de stijging ten koste van de alleenwonenden beperkt tot 9 procent. Een en ander gebaseerd op de economische waarde en de WOZ-waarde. Zoals wij eerder schreven (I&S 98), leidt het gekozen tariefsysteem als gevolg van de voortdurend sterk stijgende kosten steeds meer tot een toedeling van de kosten ten nadele van alleenwonenden, die onevenredig is aan de mate van profijt van de desbetreffende dienstverlening, meer dan voorheen bij de ingezetenenomslag.

In dit verband wijst CISA op het arrest van de Hoge Raad (20 oktober 1993, nr. 29.183, BNB 1993/347), waaruit blijkt dat een gelijke heffing bij hoge tarieven verboden discriminatie kan opleveren in de zin van het internationale recht.

Groepsbenadering en ongelijkheid
Dat deze voorbeelden van ongelijkwaardige behandeling nog steeds mogelijk zijn, komt doordat de verboden discriminatiegronden worden opgehangen aan specifiek benoemde groepen, zoals godsdienst, ras of sekse. Deze indeling, de zogenaamde juridische classificatie, bepaalt welke personen of groepen niet ongelijk mogen worden behandeld, de zogeheten classificatie naar discriminatiegronden. Dat heeft voor niet uitdrukkelijk benoemde groepen, zoals alleenstaanden, een zwakke juridische positie tot gevolg en betekent in de praktijk een vrijbrief voor achterstelling.

Grondwet
Dat voelt niet alleen in de persoonlijke situatie als vervreemdend en onrechtvaardig, maar is ook in strijd met artikel 1 van de Grondwet. Dat artikel bepaalt immers dat allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld (moeten) worden: Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. Dat dit artikel 1 minder bescherming biedt dan op het eerste gezicht lijkt, bleek reeds uit het voorgaande. De overheid zet gelijke behandeling op losse schroeven door de eerdergenoemde, exclusieve opsomming van groepen die in gelijke gevallen gelijk moeten worden behandeld. Indeling van groepen naar discriminatieverboden richt automatisch de focus op de benoemde groepen en degradeert de groepen die in de opsomming ontbreken. Uit eerdergenoemde voorbeelden bleek eveneens dat bij het maken van de keuzes de overheid bewust kiest voor de gehuwden en samenwonenden en de alleenstaande-leefvorm negeert. De toevoeging 'op welke grond dan ook' biedt geen harde garantie voor effectieve gelijke behandeling, aangezien hierbij altijd ruimte voor discussie is over wie daar precies onder (moeten) vallen en of bijvoorbeeld alleenstaanden daar onbetwist een beroep op kunnen doen.

College voor de Rechten van de Mens
Het College voor de Rechten van de Mens, voorheen Commissie Gelijke Behandeling, is een laagdrempelig rechtsinstituut, waarop iedereen die meent onrechtvaardig behandeld te zijn of te worden, gratis een beroep kan doen. De 'aangeklaagde' instantie kan een negatieve uitspraak naast zich neerleggen, maar zal dit niet snel doen. Het College heeft in zijn bestaan een aanzienlijk gezag opgebouwd. Het College doet uitspraken op grond van Artikel 1 van de Grondwet.

De rechtsstaat
In onze rechtsstaat valt nog het nodige te doen om alleenstaanden een gelijke juridische status te geven aan die van niet-alleenstaanden. Hier enkele aanbevelingen.

In de rechtsstaat zijn gelijke rechten een mensenrecht
Alleenstaanden ontbreken, zoals gezegd, in het rijtje verbodsbepalingen in de Grondwet voor daartoe speciaal benoemde groepen. Ook in het Burgerlijk Wetboek schitteren alleenstaanden door afwezigheid. In het familierecht komen de alleenstaanden niet voor. De Nederlandse, maar ook de Europese wetgever moet een juridisch kader scheppen op grond waarvan ieder individu op basis van gelijkwaardigheid en gelijkgerechtigdheid sociaal en maatschappelijk kan participeren. Hier komen we in een volgend nummer op terug. Deze Europese wetgeving moet als richtlijn gelden voor de lidstaten, die hun wetgeving zodanig moeten aanpassen dat mensen, binnen het door de overheid geschapen juridische kader, regelingen en voorzieningen kunnen treffen die aansluiten aan hun persoonlijke situatie en een gelijk burgerschap realiseren.

Naar een gelijk burgerschap
Regelingen moeten aansluiten aan de natuurlijke neiging van mensen om gevoelsmatige, duurzame sociale bindingen aan te gaan. In dit verband verwijzen wij naar de broederschapsgedachte van de Amerikaanse filosoof en ethicus John Rawls. Broederschap in de klassieke betekenis van het woord staat, zo zei hij, voor een hecht familiegevoel. Broederschap komt niet alleen voor binnen wat wij nu traditioneel familie noemen. De natuurlijke opvatting van broederschap van de mens komt ook tot uitdrukking in vriendschap en sociale solidariteit. Volgens Rawls heeft ieder mens de behoefte om betekenisvolle, sociale banden aan te gaan. Het gaat dus niet om één bepaalde vorm van samenleven, maar om de kwaliteit van het sociale contact. Dit betekent dat het niet aan overheden is om die 'broederschapsgedachte' te beperken tot huwelijkse leefvormen van echtgenoten en geregistreerde partners, waarbij alleenstaanden als een soort onbetekenende restcategorie buiten het familierecht vallen. Dat resulteert in diverse regelingen namelijk in aanzienlijke nadelen ten opzichte van wettelijk, dan wel geregistreerde stellen. Het belastingsysteem en het erfrecht zijn daar sprekende voorbeelden van. Onderlinge verbondenheid en draagkracht worden blijkbaar uitsluitend bij [traditioneel] 'gepaarden' voorondersteld. In plaats van uit te gaan van overeenkomsten inzake de vergelijkbare aspecten van sociale bindingen, namelijk die van de [moderne] huwelijkse relatie en die van de vriendschapsrelatie, lopen voor de overheid de scheidslijnen tussen de vorm van sociale bindingen. De met voordelen gekoesterde paren en de met nadelen belaste andere sociale bindingen berusten, naar het lijkt, op de misvatting dat allen die buiten het traditionele gezinsbeeld vallen, volkomen vreemden zijn voor elkaar, zoals vrienden, broers/zusters, ooms en tantes, neven en nichten. CISA gaat deze nabije banden uitwerken voor vriendschapsrelaties. Hier wordt de belangrijke rol, betekenis en duurzaamheid van vriendschappen beschreven, inclusief de wettelijke en maatschappelijke erkenning van sociale overdraagbaarheid daarvan naar volgende generaties, naast de biologische en aanverwante overdraagbaarheid bij de traditionele familie. In de Grondwet en in het Burgerlijk Wetboek moet het familierecht worden uitgebreid en vervangen door het algemeen persoonsrecht. Dit betekent onder meer dat dan ook vriendschapsbanden door de wetgever worden erkend en dat eenieder regelingen kan treffen onder gelijke voorwaarden die gelden voor gehuwden en geregistreerde partners. Hierbij staat binnen (ruim) afgebakende grenzen, passend in een moderne samenleving, keuzevrijheid centraal. Wij denken daarbij onder andere aan het erfrecht, de belastingheffing, sociale voorzieningen, huisvesting en maatschappelijke gebruiken. Er zal daarbij natuurlijk ook aandacht zijn voor solidariteit. De tijd is onzes inziens gunstig. Zo bemerken wij bij politici meer belangstelling voor een gelijkwaardiger positie voor alleenstaanden. CISA zal hun daarvoor de handreiking bieden.

*) Georges Duby. Ridder, vrouw en priester: De Middeleeuwse oorsprong van het moderne huwelijk. Amsterdam, 1985. (Vert. van Le chevalier, la femme et le prêtre: Le mariage dans la France féodale. Paris, 1981)

 

Uit: Individu & Samenleving (I&S) 102, voorjaar 2016. 

© CISA Stichting Centrum Individu en Samenleving

 

DEEL DIT BERICHT
Gerelateerde artikelen
Sociale media
Volg ons op: