Centrum Individu & Samenleving
informatie over de sociale en economische positie van singles
         
Stichting CISA
Postbus 97788
2509 GD Den Haag

070-328 40 88

Kenniscentrum CISA

CISA is een kenniscentrum dat wil bereiken dat de alleenstaande status als leefvorm maatschappelijk wordt erkend. Naast de wettelijke verankering van gezin en familie moet ook de sociale familie een wettelijke basis krijgen. De doelstelling van CISA is het stimuleren van de emancipatie van alleenstaanden in materiële, maatschappelijke en psychologische zin. CISA doet dit door wetenschappelijk onderzoek en beinvloeding van het overheidsbeleid. Regelmatig worden ook proefprocessen aangespannen.

 

 

De Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
De heer drs. F.W. Weisglas
Postbus 20018
2500 EA 's-GRAVENHAGE

 

Secr. 2004/001                                                                 7 februari 2004
 

Positie alleenstaanden in de politieke besluitvorming

 

Geachte Voorzitter,

Wegens de dringende noodzaak alleenstaanden in de politieke besluitvorming een volwaardige positie te verschaffen, wendt CISA, Kenniscentrum Positie Alleenstaanden, zich tot u inzake het volgende. Recentelijk verschenen er de alarmerende berichten in de media dat alleenstaande thuiswonende AOW-ers die zorg nodig hebben, 2,8 procent aan koopkracht verliezen als gevolg van de kabinetsmaatregelen. Voor standaardhuishoudens van 65-plussers is het koopkrachtverlies in dit jaar ten opzichte van vorig jaar marginaal, en is de wijziging in koopkracht tussen de - 0,7 en + 0,2 procent. Dat blijkt uit onderzoek door het NIBUD.

 1. Inleiding
CISA heeft reeds vanaf medio 2003 gewezen op het onevenredige koopkrachtverlies voor alleenstaanden, ongehuwden, verweduwden, gescheidenen ten opzichte van niet-alleenstaanden. Sinds haar oprichting in 1988 heeft CISA cijfermatig en met (controleerbare) analyses onderbouwd herhaaldelijk aangetoond dat het voor alleenstaanden in nadelige zin afwijkende inkomensbeleid tot een steeds grotere kloof in hun bestedingsruimte leidt ten opzichte van gehuwden/samenwonenden. Door de gedurende vele jaren - sinds de jaren 40 - consequente achterstelling van alleenstaanden, is discriminatie van deze groep burgers een vanzelfsprekendheid geworden en wordt deze inmiddels breed gedragen. Daardoor is ten aanzien van alleenstaanden vaak sprake van onrechtmatige wetgeving, in strijd met de Grondwet waarin in artikel 1 is bepaald dat alle burgers gelijk zijn voor de wet. Hiervan zullen wij in het vervolg van deze brief enkele voorbeelden noemen.
CISA heeft herhaaldelijk aangetoond dat de stelselmatige verdergaande kloof in bestedingsruimte van alleenstaanden ten opzichte van niet-alleenstaanden in het systeem van het inkomensbeleid zit ingebakken. De onevenredige negatieve gevolgen van kabinetsmaatregelen voor deze groep heeft CISA dan ook veelal met zekerheid kunnen voorspellen.

Het veelvuldige beroep van CISA op bewindslieden en parlementariërs is echter vrijwel vruchteloos gebleken. Onrechtmatige wetgeving is gehandhaafd en is veelal zelfs nog uitgebreid. De weinige Tweede-Kamerleden die zich in specifieke gevallen voor een meer gelijke behandeling van alleenstaanden inzetten, kregen in de meeste gevallen geen meerderheid van de Kamer achter zich. Ook beloften die in enkele gevallen een Kabinet deed, bijvoorbeeld nagaan of de 70/100-procentsnorm nog voldeed, bezien op welke wijze het stelsel van de eigen AWBZ-bijdragen voor alleenstaanden bij langdurige verpleging aan het beginsel van gelijke behandeling kon worden aangepast en verbetering van de huursubsidie voor alleenstaanden werden niet nagekomen. Een betrouwbare overheid zou deze beloften zijn nagekomen. Ten aanzien van alleenstaanden is er een democratisch gat. Alleenstaanden voelen zich slecht vertegenwoordigd. Ondanks de pretentie dat volksvertegenwoordigers de belangen van alle burgers behartigt, worden de keuzes van de burgers gestuurd door bevoordelende dan wel achterstellende wetgeving inzake rechtsbescherming en sociale rechten. CISA richt zich op u als Kamervoorzitter omdat het Presidium via de procedures kan bevorderen dat de Kamer alerter de belangen van alleenstaanden bewaakt en kabinetten aan hun toezeggingen houdt. Concreet denkt CISA daarbij aan de procedures, waarbij op de politieke agenda ook de alleenstaanden een plaats krijgen, evenals andere groepen, zoals gehuwden/samenwonenden en gezinnen. Ook zouden parlementariërs niet te snel de informatie van bewindslieden naar de Kamer als een correcte weergave van de feiten moeten aannemen, omdat die veelal beleidsondersteunend is beargumenteerd. De argumenten voor de verlaging van de aanvullende ouderenkorting zijn daarvan een goed voorbeeld (zie onder punt 2). Ook zou de Kamer een beroep moeten doen op de expertise die aanwezig is bij organisaties als CISA en die serieus moeten nemen. Het is een democratisch manco dat de stem van bevolkingsgroepen, in casu die van alleenstaanden, wier organisaties niet in de structurele overlegcircuits zijn opgenomen en die geen beroep doen op overheidssubsidie (subsidie houdt immers tevens erkenning in), onvoldoende worden gehoord.

In het hiernavolgende gaat CISA in op hiervoorgenoemde waarschuwingen.

1. Hoofdlijnenakkoord/Regeringsverklaring
Op 23 juni 2003 rekende CISA op basis van een bewerking (rubricering) van de berekeningen van het Centraal Planbureau (CPB) die het bureau uitvoerde op basis van het Hoofdlijnenakkoord, de Voorzitters en desbetreffende Financiële woordvoerders van de Tweede-Kamerfracties reeds de gevolgen voor van de kabinetsmaatregelen voor alleenstaanden met lage inkomens. Uit cijfers van het CPB bleek, dat alleenstaanden er in de komende vierjarige Kabinetsperiode ten opzichte van andere groepen, inclusief tweeverdieners, het meest in koopkracht op achteruit zouden gaan. Aan het einde van de vierjarige kabinetsperiode is de koopkracht van de meeste werknemers bij de alleenverdieners met 2% gestegen en, afhankelijk van het inkomen, van tweeverdieners van 0 tot 2%. De koopkracht van alleenstaanden is òf met slechts 1% gestegen òf met 1% gedaald. Bij mensen met een uitkering beweegt de koopkracht van de alleenverdieners zich tussen de -2% en -1%, is de koopkracht van tweeverdieners met 2% gedaald, maar hebben alleenstaanden 3% aan koopkracht ingeleverd. De alleenverdienende AOW-er met een klein of hoger aanvullend pensioen bovenop zijn AOW heeft zijn koopkracht met 3% zien stijgen, de tweeverdiener is gelijk gebleven, de alleenstaande met een klein aanvullend pensioen bleef gelijk, maar heeft bij een wat hoger aanvullend pensioen 1% aan koopkracht verloren.

Bij de tweeverdiener is alleen het inkomen van de partner met het hoogste inkomen in aanmerking is genomen. Hun huishoudinkomen is dus hoger dan uit het staatje van het CBS blijkt. Hierbij waren de latere, aanvullende bezuinigingen nog niet in aanmerking genomen.

2. Verlaging aanvullende ouderenkorting
Medio 2003 waarschuwde CISA zowel de financieel woordvoerders als de opeenvolgende staatssecretarissen van Financiën reeds voor de gevolgen van de verlaging van de aanvullende ouderenkorting voor alleenstaande AOW-ers met een laag inkomen. Met ingang van 2003 is de aanvullende ouderenkorting verlaagd van 256 euro in 2002 naar 242 euro. Toenmalig staatssecretaris Van Eijck antwoordde, dat zowel de ouderenkorting (met 46 euro) als de algemene heffingskorting zijn verhoogd ter verbetering van de koopkracht van AOW'ers zonder aanvullend pensioen. Ter financiering van genoemde maatregelen is onder andere de aanvullende ouderenkorting voor alleenstaande ouderen (inclusief indexering) met 24 euro verlaagd (brief van 15 mei 2003, nummer AFP 2003-00281 U). De reactie van CISA hierop was dat dit betekent dat alleenstaande ouderen deels de verhoging van genoemde heffingskortingen moeten bekostigen en dat dit juist de meest kwetsbare ouderen met een laag inkomen treft. Ook voerde CISA aan dat de gekozen methode voor lastenverlichting door verhoging van bepaalde heffingskortingen een gevaarlijk precedent schept. Wanneer deze methode jaarlijks wordt toegepast ? verlichting van de belastingdruk door het geld weg te halen bij de alleenstaande ouderen ? dan zal dat tot gevolg hebben dat de aanvullende ouderenkorting voor deze groep geleidelijk aan wordt opgesoupeerd.

CISA attendeerde de staatssecretaris er eveneens op dat gehuwden en samenwonenden tweemaal profiteren van de heffingskorting en dus ook tweemaal van de verhoging. Hun koopkracht stijgt daardoor per definitie meer dan die van alleenstaanden. CISA schreef het derhalve alleszins redelijk te achten de aanvullende ouderenkorting alsnog te verhogen en daarop de gebruikelijke indexering toe te passen.

Berekening
In een noot onderaan de brief (van 15 mei 2003) geeft staatssecretaris van Eijck de volgende toelichting. "De berekening met de indexatie van 3,6% is dan: E 256 x 1,036 - E 24 = E 242." In de desbetreffende brief wordt de indruk gewekt dat de toegepaste indexering een voordeel oplevert. Het tegendeel is het geval. Door toepassing van de indexering is de aanvullende ouderenkorting juist met een hoger bedrag gekort, omdat het bedrag van de indexering in de korting is opgenomen.

De berekening is derhalve als volgt:
Inclusief de indexering komt de aanvullende ouderenkorting uit op: 256 euro (= 100%) + + 3,6% = 265,22 euro. Ten opzichte van 2002, is de korting 256 - 242 = 14 euro. De verlaging bedraagt echter E 24. Dit betekent dat 10 euro is toe te schrijven aan korting op basis van de indexering. Wanneer de indexering buiten de korting zou zijn gehouden, zou de resterende aanvullende ouderenkorting: 265,22 - 14 = 251,22 euro zijn in plaats van 242 euro. Er is dus feitelijk sprake van een dubbele korting: door verlaging van de aanvullende ouderenkorting èn door de indexering bij de korting te betrekken.

Vervolgens heeft CISA deze problematiek nogmaals aan Staatssecretaris Wijn van Financiën de opvolger van Staatssecretaris Van Eijck voorgelegd. Naast de door zijn voorganger genoemde argumenten voerde de staatssecretaris aan dat de nominale ZFW-premie met 2,90 euro was verhoogd en dat het tarief van de eerste schijf inkomstenbelasting met 0,45%-punt is verhoogd.
CISA schreef dat de verlaging van de aanvullende ouderenkorting ook dan een onevenredig nadeel betekent. Doordat gehuwden en samenwonenden tweemaal profiteren van de ouderenkorting en tweemaal van de Algemene heffingskorting, profiteren zij derhalve ook tweemaal van de verhoging van deze belastingkortingen met respectievelijk 46 euro en 59 euro. Hun koopkracht stijgt per definitie meer dan die van alleenstaanden. De wijziging in de eerste belastingtariefschijf geldt voor iedereen.

3. Rijksbegroting 2004
Op 21 september 2003 attendeerde CISA de woordvoerders van Sociale Zaken en Werkge¬legenheid op de onevenredig nadelige gevolgen van de Rijksbegroting 2004. De (cumulatieve) toepassing van de 100/70-procentnorm doet bij elke vorm van lastenstij¬ging de bestedingsruimte van alleenstaanden meer dalen dan die van niet-alleenstaanden. Bij elke lastenstijging met 1 procent daalt de bestedingsruimte bij de sociale minimumuitkering voor alleenstaanden met 1,4 procent. Bij de sociale minimumuitkering voor samenwonenden is de daling van de bestedingsruimte 1,0 procent. De verlaging van de individuele huursubsidie met 12 euro per maand betekent op (het huidige) minimumniveau voor alleenstaanden een verlaging met ruim 1,57 procent, voor niet-alleenstaanden met 1,1 procent. De voor alleenstaanden voor eigen rekening blijvende huurlasten stijgen derhalve sterker dan voor meerpersoonshuishoudens. De 100/70 procent¬norm past namelijk niet in de systematiek van de individuele huursubsidie als volkshuisves¬tingsinstrument. Als gevolg daarvan stijgen bij huurverhogingen en verlagingen van huursubsidie voor alleenstaanden de voor eigen rekening blijvende huurlasten sterker dan voor meerpersoonshuishoudens. De heren Biesheuvel, Duijvestein en Jeekel, woordvoerders volkshuisvesting voor respectie¬velijk het CDA, de PvdA en D66, uitten tijdens de behandeling van de laatste wijziging van de Huursubsidiewet stevige kritiek op de norm. Vooral op hun aandringen beloofde het kabinet te bekijken of de 70/100-norm nog voldoet (Zie ook de berekeningen en analyse van de gevolgen van de huursubsidiesystematiek bij alleenstaanden die CISA op verzoek van de heer Duivesteijn en de heer Biesheuvel heeft uitgevoerd, d.d. 23 juni 1999). Eenzelfde effect treedt op bij verhogingen van inkomensafhankelijke eigen bijdragen, zoals voor thuishulp. Geen stijging van uitkeringen en afschaffing van de vrijstelling van gemeenteheffingen voor mensen op sociaal minimumniveau drukt eveneens zwaarder op de bestedingsruimte van alleenstaanden. Het beeld zoals hiervoor geschetst, wordt veelal van jaar op jaar bevestigd. Bij achteruitgang in koopkracht blijkt die voor alleenstaanden meestal het grootst te zijn, bij vooruitgang in koopkracht is dikwijls het omgekeerde het geval, namelijk de geringste koopkrachtstijging.

4. Inkomstenbelasting 2001
Naast de enkelvoudige belastingkorting, zonder de vroegere alleenstaande-toeslag wegens schaalnadelen, werkt de fiscale uitzonderingspositie van alleenstaanden ─ de enige belasting¬plichtige groep waarbij geen rekening meer wordt gehouden met draagkracht ─ ook door op andere belastingterreinen.

Toerekening aftrekposten
Stel, de ene partner heeft een bruto jaarsalaris van 60.000 euro. Zijn fiscale partner heeft een jaarsalaris van 14.000 euro. Het saldo van de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning van de partners leidt tot een aftrekpost van 5.000 euro. Een groot deel van de meestverdienende partner, ruim 10.500 euro valt in het hoogste belastingtarief van 52 procent (de hoogste belastingschijf). Het inkomen van de minstverdienende partner valt in het laagste belastingtarief van 33,15 procent (de laagste tariefschijf). Door hun aftrekpost van 5.000 euro aan de meestverdienende partner toe te rekenen, is het belastingvoordeel 52 procent van 5.000 euro, zijnde 2.600 euro. Toerekening van de aftrekpost aan de minstverdienende partner zou een belastingvoordeel opleveren van 33,15 procent van 5.000 euro, zijnde 1.657,50 euro. Een alleenstaande, zonder (goed)verdienende partner, met eveneens een inkomen van 14.000 euro kan zijn aftrekpost van 5.000 euro slechts tegen het tarief in de laagste belastingschijf van 33,15 procent aftrekken. Zijn belastingvoordeel is 1.657,50 euro, een negatief verschil van 942,50 euro.

Toerekening Inkomensbestanddeel
Wij gaan uit van hetzelfde voorbeeld als hiervoor, waarbij de ene partner een bruto jaarsalaris heeft van 60.000 euro, en de fiscale partner een jaarsalaris van 14.000 euro. Het saldo van de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning (eigenwoningforfait/geen schulden) bedraagt 4.000 euro.

Door hun inkomsten aan de minstverdienende partner toe te rekenen, worden deze tegen het laagste belastingtarief van 33,15 procent belast, met 1.326 euro. Wanneer de partners de inkomsten aan de meestverdienende partner zouden toerekenen, zou het bedrag van 4.000 euro tegen het hoogste tarief van 52 procent worden belast, met 2.080 euro. Het belasting¬voordeel is dus 754 euro. De alleenstaande, zonder (minst)verdienende partner, met eveneens een inkomen van 60.000 euro, ziet zijn inkomen belast met het hoogste belastingtarief van 52 procent, namelijk met 2.080 euro. De partner met hetzelfde inkomen heeft een belastingvoordeel van 754 euro ten opzichte van de alleenstaande, die geen partner heeft aan wie hij zijn inkomsten van 4.000 euro kan toerekenen. Het ontbreekt alleenstaanden aan de mogelijkheden strategische belastingkeuzen te maken. Daardoor kan het voorkomen dat een alleenstaande alleenverdiener zwaarder wordt belast dan partners met elk eigen inkomsten, de zogenoemde tweeverdieners.

Het argument voor de buitengewonelastenaftrek is dat bepaalde uitgaven waaraan de belastingplichtige zich niet dan met groot bezwaar kan onttrekken, een draagkrachtverminde¬rend effect hebben (TK 1998-1999, MvT, 26 727, nr. 3). Hoe kan worden gerechtvaardigd, dat een alleenstaande (die alle vaste lasten in zijn eentje moet opbrengen) met een inkomen van 14.000 euro en een dito aftrekpost van 5.000 euro, 942,50 euro minder mag aftrekken dan iemand met een goedverdienende partner? En welke ratio ligt eraan ten grondslag de partner met hetzelfde inkomen een belasting¬voordeel te gunnen van 754 euro ten opzichte van de alleenstaande, die geen partner heeft aan wie hij zijn inkomsten van 4.000 euro kan toerekenen? (De berekening is gemaakt op basis van de tarieven in 2003)

Rechtsongelijkheid en sociale rechten
CISA noemt hiervan slechts drie voorbeelden.

a. Alleenstaanden moeten voor opname in een verzorgings- of verpleeghuis een hoge eigen AWBZ-bijdrage betalen van maximaal 90 procent van de verzorgings- of verpleegkosten. Dit is een inbreuk op het eigendomsrecht als bedoeld in het Eerste Protocol bij het EVRM doordat meestal het AOW- en aanvullend pensioen, waarvoor premie is betaald moet worden ingeleverd in ruil voor een karig zakgeld. Het betekent ook een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling in strijd met de uitgangs¬punten van deze wet en met de verzekeringsgedachte.

b. In de komende Levensloopregeling lijkt voor de alleenstaande werknemers het ontbreken van het recht op wettelijk zorgverlof, bijvoorbeeld het kortdurend zorgverlof van maximaal tien dagen per jaar, en langdurend zorgverlof te worden gehandhaafd. Het was nu juist de bedoeling de bestaande verlofregelingen samen te voegen en onder te brengen in een levensloopregeling, waarbij alleenstaanden betreffende het recht op zorgverlof een gelijkwaardige plaats zou worden toebedeeld. Juist voor alleenstaanden, die taken niet met een huisgenoot kunnen delen, is de mogelijkheid van het verlenen en ontvangen van zorg belangrijk.

c. In de nieuwe Successiewet is gehandhaafd dat de nabestaanden van alleenstaanden als volkomen vreemden worden behandeld, ondanks politieke beloften, dat dit zou worden veranderd. Met een maximaal belastingtarief van 68 procent werpt de anonieme Staat zich ten onrechte op als hun erfgenaam.

Dergelijke maatregelen wijzen op een gebrek aan invoelingsvermogen voor de alleenstaande burger (2,4 miljoen huishoudens). Dit blijkt ook vaak uit de verdediging door bewindslieden van deze en soortgelijke maatregelen. Waarom zouden alleenstaanden geen behoefte hebben aan zorg voor elkaar en aan onderlin¬ge solidariteit met hun naasten?

Conclusie
Het is dringend noodzakelijk dat de politiek verantwoordelijken een begin gaan maken met de geleidelijke afschaffing van de systematische en continue achterstelling van alleenstaanden. Procedurele maatregelen van het Presidium van de Tweede Kamer kunnen daarin een initiërende rol vervullen. De Kamer moet op structurele wijze gebruik maken van de specifieke kennis bij (belangen)organisaties, zoals CISA, en deze afwegen tegen de informatie van bewindslieden. Voortdurend wordt gesproken over de kloof tussen burger en politiek. Ons democratisch politieke stelsel is het minst slechte stelsel. Niet politieke vernieuwing en wijziging van het kiesstelsel zijn nodig, maar de politieke mores en het verantwoordelijkheidsgevoel voor alle bevolkingsgroepen, die niet op mogelijke zetelwinst en op aandacht van de media worden geselecteerd.

CISA wacht met belangstelling uw reactie af.

 

Hoogachtend,

Het bestuur van de Stichting Centrum
Individu en Samenleving, CISA

Mw. drs. L. de Zwaan
(voorzitter)

 

*naar boven