Singles ontworstelen zich uit de feodale wetgeving
Zomaar twee uitspraken van twee toenmalige staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een brief aan CISA:
- Aan het meebetalen door een alleenstaande aan een nabestaandenregeling voor bijvoorbeeld tweeverdieners ligt ten grondslag de wijze waarop in het kader van het nabestaandenpensioen uitleg moet worden gegeven aan de solidariteit van een alleenstaande met hen die in partnerverband leven.'
- Op de zorgende partner rust een bijzondere zorgverantwoordelijkheid voor degene die op die zorg is aangewezen.'
De eerste uitspraak betrof het verplicht meebetalen door alleenstaanden aan het nabestaandenpensioen voor werknemers met een partner.
De tweede uitspraak betrof het verplicht meebetalen door alleenstaanden aan het wettelijk recht op maximaal tien dagen betaald zorgverlof voor de verzorging bij ziekte van een partner of kind. Zorg voor een zieke vriend(in) of bejaarde oom of tante valt niet onder het waarden- en normenpatroon van het kabinet.
Naar aanleiding van de Rijksbegroting voor het jaar 2006 beweerde de toenmalige Minister van Sociale Zaken in de nieuwsrubriek van RTL-4 dat alleenstaanden er in 2006 best wat op achteruit mogen gaan. 'Zij zorgen niet voor anderen en moeten daarom solidair zijn.'
Dergelijke opvattingen vinden hun weg in achterstellende wetgeving voor de singles. Dat is dan ook de reden geweest voor de oprichting van de Stichting Centrum Individu en Samenleving, CISA, twintig jaar geleden.
Gedurende al die jaren zet CISA zich in voor een rechtvaardige samenleving, waarin de plichten en rechten èn de solidariteit eerlijk verdeeld worden.
De wortels
van deze negatieve visie op de singles en de op basis daarvan achterstellende wetgeving komt niet uit de lucht vallen.
De wortels van de achtergestelde sociaal-maatschappelijke positie van alleenstaanden liggen in de feodale tijd. Toen werd een scherpe scheiding aangebracht tussen het 'religieus celibataire leven' als hoeksteen van de religieuze orde en het 'aardse leven' van de wettig gehuwden als hoeksteen van de sociale orde. In eendrachtige samenwerking brachten de geestelijkheid en de vorst een maatschappelijke ordening aan, waarin de ongehuwden de kloosters zouden bevolken en de wettig gehuwden in kuise seksualiteit voor een talrijk nakomelingschap zouden zorgen. Voor de ongehuwden was de enige legitieme bestaanswijze: god te dienen in het koninkrijk gods. De wereldlijke, niet in religieus verband levende ongehuwden kwamen tussen de wal en het schip terecht: als een onbestemde groep tussen celibaat en huwelijk.
Om de gewenste ordening in de samenleving aan te brengen, had de geestelijkheid de medewerking van de vorst nodig. Daar hadden de dienaren gods een probaat middel op gevonden.
De vorst (keizer Lodewijk de Vrome) werd door de bisschop gezalfd en zo geheiligd. Daarmee zou het koningschap de geschiedenis ingaan als door god ingesteld.
Het huwelijk werd steeds meer verheerlijkt. In de negende eeuw werd het huwelijk getypeerd als een sociaal instituut dat berust op een natuurwet. In het midden van de twaalfde eeuw verhieven de geestelijken het huwelijk tot het zevende sacrament (toegang tot het hemelse rijk).
Daarmee brachten de bisschoppen zichzelf echter in verlegenheid. Er bestonden immers maar zes sacramenten, die door god waren ingesteld. Maar de bisschoppen beschikten over een grote vindingrijkheid: het zevende, huwelijkssacrament had altijd bestaan en werd nu hersteld.
Voor de wereldlijke ongehuwden valt hieruit maar één conclusie te trekken: Zij handelden tegen de natuur en zij hadden bovendien geen deel aan het heil van het goddelijke rijk. Zij hoorden noch tot de wereldlijke, noch tot de religieuze samenleving.
Op allerlei terreinen zijn deze feodale resten nog te herkennen. Zo vinden we in het eerste lid van artikel 23 van het Internationale verdrag voor burgerlijke en politieke rechten (IVBPR) het gezin als natuurwet terug: Het gezin vormt de natuurlijke en fundamentele kern van de maatschappij en heeft recht op bescherming door de maatschappij en de Staat.
Zo is ook in de aanhef van onze huidige wetten de vorst als door god gegeven te herkennen:
Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
De overheid lijkt het singlebestaan te beschouwen als een zinloos bestaan. In de feodale tijd was voor hen de enige legitieme bestaanswijze god te dienen in het koninkrijk gods; nu lijkt hun enige legitieme bestaanswijze het gezin te dienen door eenzijdig gerichte solidariteit. In het recht kreeg het alleenstaande zelfstandige individu een plaats toebedeeld als maatschappelijk buitenbeentje, dat buiten de huwelijkse maatschappelijke orde valt.
De sociale familie
De meest invloedrijke hedendaagse filosoof en ethicus John Rawls vindt dat broederschap in de democratische theorie is verwaarloosd. Er is geen harmonie van belangen wanneer de meest begunstigden winnen en de minst bevoorrechten verliezen, en omgekeerd. Er is niet voldaan aan het criterium van wederkerig voordeel, the criterion of mutual benefit. Hij betoogt dat broederschap niet alleen binnen de familie voorkomt, maar dat de mens een natuurlijke opvatting heeft van broederschap, die ook tot uitdrukking komt in burgerlijke vriendschap en sociale solidariteit.
Alleenstaanden moeten een eigen sociale institutie ontwikkelen. Het begrip gezin moet worden uitgebreid met het begrip van de sociale familie. Het ontbreken van een eigen sociale institutie, en daarmee gepaard gaande erkende wettelijke en sociale status, maakt alleenstaanden onzichtbaar en kwetsbaar. Zij zijn onderhevig aan negatieve vooroordelen, die veelal de basis vormen voor achterstelling en discriminatie.
Het Personen- en familierecht in het B.W., dat is beperkt tot huwelijkse banden, moet een eigentijdse invulling krijgen. Daarom moet dit worden uitgebreid met de sociale familie.
Het individu moet daarbij uitgangspunt zijn. Het individu, en niet het gezin, is de kleinste maatschappelijke eenheid, dat op zijn eigen wijze invulling geeft aan zijn sociale leven, het 'eigen wijze individu'.
Naast de wettelijke verankering en de daarbij behorende rechtsbescherming van gezin en familie, moet ook de sociale familie als duurzaam sociaal verband een wettelijke basis krijgen.
Daarom heeft CISA een leefvormmodel ontwikkeld met het doel om geleidelijk aan het familierecht in het Burgerlijk Wetboek zodanig aan te passen, dat ook de alleenstaanden met hun sociale bindingen daarin een plaats kunnen vinden.
De wetgever brengt het personenrecht dan in overeenstemming met de twee Algemene bepalingen waarmee het Burgerlijk Wetboek in Titel 1 van Boek 1 begint.
Allen die zich in Nederland bevinden, zijn vrij en bevoegd tot het genot van burgerlijke rechten (artikel 1:1.1).
Persoonlijke dienstbaarheden, van welke aard of onder welke benaming ook, worden niet geduld (artikel 1:1.2).
Het is aannemelijk dat deze bepalingen zijn terug te voeren op de opstand van de Franse bevolking ─ met de revolutieleuze Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap ─ tegen de privileges van de bevoorrechte klassen (adel, geestelijkheid en gegoede burgerlijke stand).
Dus: we gaan naar een samenleving, waarin ieder gelijke, wettelijke, burgerrechten geniet en waarin eenzijdige dienstbaarheden van de ene bevolkingsgroep naar de andere zijn uitgebannen.
|