Centrum Individu & Samenleving
informatie over de sociale en economische positie van singles
       

Stichting CISA
Postbus 97788
2509 GD Den Haag
070-328 40 88

Steun
CISA
Bent u voorstander van een samenleving met gelijke behandeling van alle burgers ongeacht de leefvorm? Bent u tegen discriminatie van individueel levenden zowel in financiële als sociale zin?

Steun dan CISA bij haar activiteiten en vul het formulier in.

 

Brief aan minister De Geus

In de brief van 1 november 2005 houdt CISA de minister voor dat hij eenzijdig is in zijn redeneringen, waardoor hij de draagkracht van gezinnen te laag en die van alleenstaanden te hoog inschat. Hij houdt geen rekening met de voordelen van samenwonenden. Hij negeert de hogere kosten die alleenstaanden hebben en de sociale plichten die ook zij vervullen, terwijl zij taken niet met een partner kunnen delen. CISA had de minister zijn uitspraak in de nieuwsrubriek van RTL-4 verweten, dat alleenstaanden met een goed inkomen er in 2006 best wat op achteruit mogen gaan. Zij zorgen niet voor anderen en moeten daarom solidair zijn, verkondigde hij. CISA schrijft verder het merkwaardig te vinden dat steeds naar alleenstaanden wordt gewezen als degenen die solidair moeten zijn, maar niet naar goedverdienende tweeverdieners en zogenaamde alleenverdieners zonder kinderen.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
drs. A.J. de Geus
Postbus 90801
2509 LV 's-GRAVENHAGE

Secr. 2005/001 Alleenstaanden 18 september 2005

Geachte heer Minister,

In uw reactie op onze brief van 28 september 2005 over de positie van alleenstaanden (kenmerk ASEA/LIV/2005/74227), geeft u aan dat het kabinet bij de beoordeling van de bestedingsontwikkeling in relatie tot de hoogte van het nominale inkomen kijkt naar de bestedingsmogelijkheden van een huishouden. Bij vergelijkende onderzoeken wordt, zo stelt u, daarom meestal het inkomen gecorrigeerd voor de omvang van het huishouden, met behulp van de zogenoemde equivalentiefactoren.

De gehanteerde equivalentiefactoren zijn achterhaald
Deze factoren ─ de 100/70-procentsnorm ten behoeve van een sociaal bestaansminimum ─ is reeds in 1963 vastgesteld. De norm is niet empirisch onderbouwd en aanvankelijk reeds te laag vastgesteld. De SER bracht in 1963 een advies uit inzake de positie van de gehuwden en de ongehuwden in de sociale verzekering (SER, 1963, nr. 2). Daarin stelt de Raad vast dat "de consumptieve uitgaven van een ongehuwde werkende vrouw, die alleen een woning bewoont, circa 75% belopen van die van het gezin zonder kinderen, wil zij een gelijke materiële behoeftebevrediging genieten als de gehuwde vrouw in dit gezin".
Voorts is de (jaarlijkse) stijging van de vaste lasten voor wonen, vastrechttarieven en dergelijke, voor alleenstaanden vrijwel even hoog als die voor een (echt)paar en niet 70 procent van de vaste lastenstijging voor het (echt)paar. Daarom behoort de norm, c.q. equivalentiefactor, periodiek overeenkomstig de stijging van de vaste lasten te worden bijgesteld. Vergelijkende onderzoeken worden veelal uitgevoerd op basis van de door de rijksoverheid aangedragen uitgangspunten en criteria. De criteria c.q. equivalentiefactoren zelf worden nimmer ter discussie gesteld. De noodzaak daartoe moge uit enkele, hieronder genoemde, voorbeelden blijken. In 1983 stelt de econoom Van Praag op grond van een inkomenswaarderingsonderzoek vast, dat de norm voor alleenstaanden tot 85% zou moeten worden opgetrokken als wordt uitgegaan van het politieke criterium dat ieder huishouden op het minimumniveau dezelfde bestedingsmogelijkheden dient te hebben. Uit de diverse onderzoeksrapportages "Minima Zonder Marge" van de Gemeentelijke Sociale Dienst te Rotterdam, bleken alleenstaanden gemiddeld het hoogste percentage van hun inkomen aan huur te besteden. Op grond daarvan werd aanbevolen de norm van 70% te verhogen. In 1990 concludeerde het NIBUD dat een alleenstaande met uitsluitend AOW ongeveer ¦ 92,-- (42 euro) per maand tekort kwam om acceptabel te kunnen leven (De AOW gewogen. Onderzoek naar de minimaal noodzakelijke uitgaven van huishoudens van ouderen. Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting/COSBO; 1990). In 1995 constateert Verboom in haar onderzoek in opdracht van de toenmalige Unie55+, dat alleenstaande ouderen met uitsluitend een AOW-pensioen, gemiddeld ongeveer ¦ 170,- (77 euro) per maand te kort komen om een redelijk bestaan te kunnen leiden. Ter ondersteuning van het beleid is sprake van selectieve waarneming. Gegevens die niet passen binnen het beleid, worden genegeerd.

De aangevoerde argumenten zijn onjuist en eenzijdig
1) Het betreft voorzieningen die bedoeld zijn als sociaal vangnet voor situaties waarin mensen niet of niet voldoende in de kosten van de minimaal noodzakelijke kosten kunnen voorzien. In strijd met de oorspronkelijke doelstelling daarvan werd en wordt in toenemende mate het uitgangspunt voor de vaststelling van het sociale bestaansminimum (equivalentiefactor) uitsluitend voor alleenstaanden toegepast op andere terreinen dan voor het waarborgen van een sociaal minimum (huurtoeslag, Gefinancierde Rechtshulp, in 2006 zorgtoeslag). Dat heeft voor alleenstaanden tot een cumulatie van lastenverzwaringen en dramatische daling van bestedingsmogelijkheden geleid. Het CBS berekende in 1993 dat het beschikbare inkomen (het bruto inkomen verminderd met premies en belastingen) voor paren zonder kinderen bijna twee maal zo hoog blijkt als voor alleenstaanden (CBS, Sociaal-economische rekeningen, 1993). Uitkomsten, gebaseerd op de CBS-budgetonderzoeken 1986-1990 (1993) en de CBS-publikatie 'Alleenstaanden in Nederland' (1996) wezen uit dat alleenstaanden gemiddeld een aanzienlijk slechtere materiële welvaartspositie hebben dan paren. De Technische Universiteit-Delft en het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) kwamen reeds in hun in 1989 afgerond woonlastenonderzoek tot de conclusie, "dat het inkomen gemiddeld het meest daalt bij alleenstaanden en dat zij worden geconfronteerd met de sterkste stijging van de huur als percentage van het inkomen. Als gevolg van latere maatregelen zijn deze effecten alleen maar sterker geworden. Uit een enquête van de Vereniging Eigen Huis blijkt dat alleenstaanden vaak minder te besteden hebben en minder makkelijk aan een hypotheek kunnen komen. Ook kunnen zij de taken niet verdelen, zoals stellen dat wèl kunnen, en zorgt in je eentje beslissen voor onzekerheid (Magazine, december 2004). Sipke Molenaar van RE/MAX Makelaardij Hoogeveen komt tot een overeenkomstige conclusie. Alleenstaanden hebben gemiddeld veel minder te besteden dan samenwonenden, zegt hij. 'Het inkomen is lager (eenverdiener versus tweeverdiener) en daar komt bij dat de kosten voor levensonderhoud voor een single niet veel lager zijn dan die voor samenwonenden.

2) De overheid volgt deze methode van draagkrachtberekening voor de toepassing van inkomensafhankelijke regelingen uitsluitend voor alleenstaanden. Noch bij alleenverdieners, noch bij tweeverdieners, noch bij eenouders wordt het inkomen fictief op basis van het voor hen geldende sociale minimum verhoogd ('gestandaardiseerd'). In deze zin is dan ook sprake van een willekeurige behandeling. Bij een conse¬quente toepassing van de ABW-norm (equivalentiefactor) voor alle categorieën, zou voor tweeverdieners het huishoudensinkomen met 70/50 x 100 = 140% van de bijstandsnorm voor alleenstaanden worden verhoogd (voor samenwonenden bedraagt de ABW-norm 50% per persoon). Voor alleenverdieners met een modaal inkomen, zou het inkomen worden 'gestandaardiseerd', dus fictief worden verhoogd op basis van het sociale minimum voor samenwonenden. Uiteraard zouden wij ook daar¬tegen bezwaar hebben.

3) Van eenzijdigheid is sprake doordat uitsluitend wordt gekeken naar de draagkrachtverlagende factoren van een gezinshuishouden, terwijl de draagkrachtverhogende factoren buiten beschouwing blijven. Genoemd zijn reeds de schaalvoordelen. Verder kunnen partners de taken verdelen en kunnen zij bij calamiteiten, zoals bij ziekte, elkaar ondersteuning bieden. Draagkrachtverminderende factoren voor alleenstaanden zijn de eerder genoemde schaalna¬delen. Ook moeten zij bij ziekte eerder een beroep op de betaalde markt doen, omdat er geen partner is om de nodige zorg te verlenen. Alleenstaanden combineren een veelheid aan taken. Vooral gedurende hun produktieve arbeidzame periode ervaren zij een spitsuur van het leven. Alleenstaanden verenigen de verantwoordelijkheden voor inkomensverwerving (eigen kostwinner¬schap), het dragen van arbeids- en ziekterisico's, zakelijke afhandelingen en sociale verplichtingen in één persoon. Alleenstaanden ondervinden belemmeringen bij de combinatie van een veelheid van taken, waaronder die van een voltijdse beroepsarbeid. Zij kunnen taken niet met een partner delen en ervaren beperkingen in keuzemogelijkheden, zoals zorg voor naasten, met het risico van overbelasting.1, 2, 3 Er is derhalve alle reden om partners zonder kinderen een grotere draagkracht toe te rekenen dan alleenstaanden. Het hangt ervan af hoe en wat men meet. De opmerking van premier Balkenende over de CPB-modellen in september j.l. is veelzeggend: 'Je kunt elk model een beetje manipuleren door de variabelen die je erin stopt'. Met andere woorden, je kunt eruit krijgen wat je wilt als je maar weet wat je er in moet stoppen. Dat is nu precies wat er gebeurt ten aanzien van alleenstaanden.

4) In de belasting- en premieheffing zouden alleenstaanden en tweeverdieners in hoge mate gelijkwaardig worden behandeld. Ook dit is onjuist, tenzij u bedoelt dat zij als ongelijke gevallen gelijk worden behandeld. Bij de belastingherziening 'Oort' in 1990, is voor alleenstaanden de zogenoemde alleenstaande-toeslag afgeschaft. Alleenstaanden hadden recht op een verhoogde belastingvrije som, de latere alleenstaande-toeslag, vanwege schaalnadelen. De meerderheid in de Tweede Kamer was bij de behandeling van de belastingherziening 'Oort' tegen het laten vervallen van de toeslag, omdat dit een eenzijdige inbreuk op het draagkrachtprincipe zou betekenen. Tevens stelde een meerderheid in de Kamer vast dat de minister van Financiën een omslag maakte in zijn argumentatie tegen handhaving van de alleenstaande-toeslag door deze toeslag af te wijzen op grond van de draagkrachtverhouding met alleenverdieners. Zij oordeelde dat de relatieve verhouding tussen alleenverdieners, alleenstaanden en tweeverdieners aan de orde was, en dat de draagkrachtbenadering hand-having van de alleenstaande-toeslag rechtvaardigt (Handelingen, 20 595, nr. 15, blz. 2616).

 ───────────────

1 Adriaan Hiele: 'Binnen een (tweeverdieners)relatie kan je financieel meer dan alleen, maar dat besef je pas wanneer je uit elkaar gaat. Met name de risico's van (langdurige) ziekte, minder inkomen of werkloosheid kan je samen beter opvangen dan alleen'. (in de NRC van 17 juli 2004).
2 Knipscheer constateert dat bij niet-alleenstaanden de zogenoemde informele hulpbronnen (informele hulpverlening) vooral die van partners en andere familieleden zijn, bij alleenstaanden zijn de belangrijkste hulpbronnen de vrienden, buren en ouders. C.P.M. Knipscheer Demografische veranderingen en het zorgvermogen van de samenleving in: 'De demografische uitdaging', 1992, 89-107.
3 Twee onderzoekers van het CBS constateren in Economisch Statistische Berichten (ESB) dat werknemers zonder partner een groter risico op arbeidsongeschiktheid hebben dan werknemers met partner. Als één van de mogelijke oorzaken noemen de onderzoekers dat partners elkaar vaak werk uit handen nemen, waardoor er minder gevaar is voor overbelasting. Volgens de onderzoekers ligt het, gegeven deze conclusie voor de hand om gericht aandacht te besteden aan werknemers zonder partner, in aanvulling op het beleid ten behoeve van andere bekende risicogroepen (ESB 27-6-2003).

In 1983 heeft het toenmalige kabinet in het kader van de zgn. Tweeverdienerswet op fiscaal theoretische gronden de invoering van de alleenstaande-toeslag (die de verhoogde belastingvrije som verving) verdedigd. In 1985 heeft het kabinet bovendien de toeslag in de notitie 'De positie van de alleenstaande in de inkomenssfeer' expliciet gemotiveerd (Tw. Kr. zitting 1984-1985, 18 991, nrs. 1-2). Het CDA drukte de afschaffing van de toeslag door. Met steun van de CDA-fractie dreigde het kabinet (bij monde van de CDA-minister Ruding van Financiën) alle onderhavige fiscale- en niet-fiscale wetsvoorstellen in te trekken, wanneer de Kamer een van de amendementen, waarin de invoering van een structurele alleenstaande-toeslag was opgenomen, zou aanvaarden. In dit feitelijk 'onaanvaardbaar' zag de fractie van de VVD vooralsnog aanleiding af te zien van een structurele toeslag. Daarbij tekende deze fractie aan "dat het machtswoord weliswaar een effectief wapen is, maar dat het één groot nadeel heeft: het overtuigt niet, maar dwingt" (Handelingen, 20 595, nr. 15, blz. 2636).

Het was dus een kwestie van machtspolitiek, niet van afweging van draagkracht. Bij alleenstaande eenverdieners wordt thans de fictie gehanteerd dat er bij hen, evenals bij tweeverdieners, een tweede inkomen aanwezig is, maar dan zonder de fiscale voordelen die tweeverdieners bovenop de algemene heffingskorting genieten. Daardoor betalen alleenstaanden per saldo doorgaans meer belasting dan tweeverdieners. Tweeverdieners mogen aftrekposten en bijtelposten van de ene partner aan de andere partner toerekenen en zo het voordeligste belastingschijventarief kiezen.

Voorbeeld

Toerekening aftrekposten
Stel, de ene partner heeft een bruto jaarsalaris van 60.000 euro. Zijn fiscale partner heeft een jaarsalaris van 14.000 euro. Het saldo van de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning van de partners leidt tot een aftrekpost van 5.000 euro. Dit bedrag valt voor de meestverdienende partner in het hoogste belastingtarief van 52 procent (de hoogste belastingschijf). Het inkomen van de minstverdienende partner valt in het laagste belastingtarief van 34,40 procent (de laagste tariefschijf). Door hun aftrekpost van 5.000 euro aan de meestverdienende partner toe te rekenen, is het belastingvoordeel 52 procent van 5.000 euro, zijnde 2.600 euro. Toerekening van de aftrekpost aan de minstverdienende partner zou een belastingvoordeel opleveren van 3,40 procent van 5.000 euro, zijnde 1.720 euro. Een alleenstaande, zonder (goed)verdienende partner, met eveneens een inkomen van 14.000 euro kan zijn aftrekpost van 5.000 euro slechts tegen het tarief in de laagste belastingschijf van 34,40 procent aftrekken. Zijn belastingvoordeel is 1.720 euro, een negatief verschil van 880 euro.

Toerekening Inkomensbestanddeel
Wij gaan uit van hetzelfde voorbeeld als hiervoor, waarbij de ene partner een bruto jaarsalaris heeft van 60.000 euro, en de fiscale partner een jaarsalaris van 14.000 euro. Het saldo van de inkomsten en aftrekposten van de eigen woning (eigenwoningforfait/geen schulden) bedraagt 4.000 euro. Door hun inkomsten aan de minstverdienende partner toe te rekenen, worden deze tegen het laagste belastingtarief van 34,40 procent belast, met 1.376 euro. Wanneer de partners de inkomsten aan de meestverdienende partner zouden toerekenen, zou het bedrag van 4.000 euro tegen het hoogste tarief van 52 procent worden belast, met 2.080 euro. Het belasting¬voordeel is dus 704 euro. De alleenstaande, zonder (minst)verdienende partner, met eveneens een inkomen van 60.000 euro, ziet zijn inkomen belast met het hoogste belastingtarief van 52 procent, namelijk met 2.080 euro. De partner met hetzelfde inkomen heeft een belastingvoordeel van 754 euro ten opzichte van de alleenstaande, die geen partner heeft aan wie hij zijn inkomsten van 4.000 euro kan toerekenen. Het ontbreekt alleenstaanden aan de mogelijkheden strategische belastingkeuzen te maken. Hoe kan worden gerechtvaardigd, dat een alleenstaande (die alle vaste lasten in zijn eentje moet opbrengen) met een inkomen van 14.000 euro en een dito aftrekpost van 5.000 euro, 942,50 euro minder mag aftrekken dan iemand met een goedverdienende partner? Wat is er redelijk aan dat de partner met hetzelfde inkomen een belastingvoordeel te gunnen van 754 euro ten opzichte van de alleenstaande, die geen partner heeft aan wie hij zijn inkomsten van 4.000 euro kan toerekenen? Ook m.b.t. vermogen en vermogensrendementsheffing mogen partners schuiven. O.g.v. artikel 2.4.4. kunnen partners met betrekking tot gemeenschappelijke inkomensbestanddelen en bestanddelen van de rendementsgrondslag de onderlinge verhouding kiezen, en o.g.v. artikel 5.1.4 mag de belastingplichtige met een partner de additionele ouderentoeslag naar de andere partner overhevelen.

Voorts worden alleenstaanden ook in het Successierecht zeer onrechtvaardig behandeld. Hun dierbaren worden als volkomen vreemden behandeld. Een korte opsomming: De vrijstelling voor partners is: 503.273 euro, daarboven geldt een tarief van 5% - 27% (voor broers/zussen van 26% - 53%). De vrijstelling voor een dierbare vriend(in) of zelfs neef of nicht wordt onder 'anderen' gerangschikt, voor wie het luttele bedrag van 1.865 euro met daarboven een tarief 41 - 68% geldt. Elke rechtsgrond ontbreekt voor een tarief, waarbij de anonieme Staat zich als erfgenaam opwerpt, en het grootste deel van een nalatenschap die de erflater bestemd heeft voor een goede vriend, voor zich opeist.

Ook valt niet op grond van draagkracht te beredeneren dat alleenstaanden meebetalen aan partnerpensioenen ten behoeve van partners die elk over een eigen inkomen met eigen pensioenopbouw beschikken. Verder is het merkwaardig dat steeds naar alleenstaanden wordt gewezen als degenen die solidair moeten zijn, maar niet naar goedverdienende tweeverdieners en zogenaamde alleenverdieners zonder kinderen.
Alleenstaanden worden onderhoudsplichten voor gezinnen opgelegd die het vaak veel beter hebben dan zijzelf. Solidariteit behoort rechtvaardiging te vinden in de situatie en noodzakelijk te zijn. Solidariteit moet niet oneigenlijk worden gebruikt om de verantwoordelijkheid voor eigen keuzen af te wentelen op anderen, i.c. alleenstaanden.
In dat verband wil CISA nog een concreet antwoord op de vraag of u van mening bent dat alleenstaanden met bijvoorbeeld een minimumloon meer te besteden hebben dan paren met een inkomen van 60.000 euro.
CISA wacht uw reactie op deze brief met belangstelling af.

Hoogachtend,

 

 

*naar boven