Volgens CISA valt daarin het nodige te verbeteren.
Het politieke bedrijf is getransformeerd van bij voorrang streven naar een rechtvaardige rechtsstaat, waarbij de belangen van alle burgers evenwichtig tegen elkaar worden afgewogen, naar coalitie- en partijbelangen, waarbij de eigen achterban moet worden bediend. Dat kan de grens tussen het dienen van het algemeen belang en van een deelbelang (bijvoorbeeld van een eenzijdig gezinsbeleid) doen vervagen. Daardoor worden staatsrechtelijke normen overschreden.
Artikel 50 van de Grondwet schrijft voor dat de Staten-Generaal het hele volk vertegenwoordigen. Daarmee is in strijd het uitdragen van het gezin als de hoeksteen van de samenleving. Dat heeft onvermijdelijk gebrek aan respect en waardering voor andere bevolkingsgroepen tot gevolg, hetgeen het klimaat schept voor achterstelling. Zo kunnen alleenstaanden bij discriminatie bij de rechter vrijwel nooit met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel doen, hetgeen onverenigbaar is met de rechtsstaat. De Commissie gelijke behandeling heeft er reeds enkele malen op gewezen dat de Algemene wet gelijke behandeling alleenstaanden onvoldoende rechtsbescherming biedt.
Verder krijgt de voorkeursbehandeling van 'de hoeksteen' een vanzelfsprekend karakter en stimuleert dit tot steeds hogere eisen, zonder dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor andere groepen. De regering schermt met de eigen verantwoordelijkheid van de burgers, maar de vraag is gerechtvaardigd, in hoeverre gezinnen nog de verantwoordelijkheid voor eigen vrijwillige keuzen willen dragen, ook wanneer zij daartoe zelf goed in staat zijn.
Voorts komt het voor dat een kabinetslid het ministerschap combineert met het politiek leiderschap van een Kamerfractie. Dat is strijdig met de scheiding van de rol van het kabinet en de controlerende taak van het parlement. Een kabinetslid hoort boven de partijen te staan, schrijft CISA aan de minister.
Het kabinet houdt de samenleving normen en waarden voor, maar het ontbreekt datzelfde kabinet aan zelfreflectie over zijn morele staatsrechtelijke verantwoordelijkheid. Daarbij moet het kabinet zich realiseren dat wederkerigheid de grondslag is van de rechtsstaat, houdt CISA de bewindsman voor.
Hieronder treft u de volledige brief aan de minister aan.
Veelal wordt gewezen op het gebrek aan het waarden- en normenbesef van de burger. CISA wil in deze wijzen op de voorbeeldfunctie van de overheid. De overheid krijgt het volk dat het verdient. Essentieel zijn de waarden en normen die de gezagsdragers en de volksvertegenwoordigers hanteren bij de invulling van 'het ambt'. Het politieke bedrijf is getransformeerd van het bij voorrang streven naar een rechtvaardige rechtsstaat waarbij de belangen van alle burgers evenwichtig tegen elkaar worden afgewogen, naar coalitie- en partijbelangen, waarbij de eigen achterban moet worden bediend. Dat kan de grens tussen het dienen van het algemeen belang en van een deelbelang als dat van bijvoorbeeld een eenzijdig gezinsbeleid, doen vervagen. Daardoor kunnen staatsrechtelijke normen worden overschreden. Artikel 50 van de Grondwet schrijft immers voor dat de Staten-Generaal het hele volk vertegenwoordigen. Daarmee is in strijd het uitdragen van het gezin als de hoeksteen van de samenleving, hetgeen onvermijdelijk gebrek aan respect en waardering voor andere bevolkingsgroepen tot gevolg heeft met de daaraan inherente achterstellende potentie. De opvattingen in de samenleving passen zich aan wetten aan. De voorkeursbehandeling van 'de hoeksteen' krijgt een vanzelfsprekend karakter en stimuleert tot steeds hogere eisen, zonder dat rekening wordt gehouden met de gevolgen voor andere groepen. De regering schermt met eigen de verantwoordelijkheid van de burgers, maar de vraag is gerechtvaardigd, in hoeverre gezinnen nog de verantwoordelijkheid voor eigen vrijwillige keuzen willen dragen.
Voorts komt het voor dat een kabinetslid het ministerschap combineert met het politiek leiderschap van een Kamerfractie. Dat is strijdig met de scheiding van de rol van het kabinet en de controlerende taak van het parlement. Een kabinetslid hoort boven de partijen te staan.
Waarden en normen
Het hameren op het gezin als de hoeksteen van de samenleving toont een gebrek aan respect voor mensen die hun leven anders hebben ingericht. Zij leveren eveneens belangrijke bijdragen aan de samenleving. 'Samen Leven, Samen Werken' kan ook buiten gezinsverband. Zo behoort het kabinet ook voor alleenstaanden de voorwaarden te scheppen om invulling te geven aan hun sociale leven, dat eveneens solidariteit, sociale steun en het opvangen van zorg in eigen kring omvat. Zij zijn onmisbaar voor de 'sociale samenhang' in de samenleving.
Het kabinet houdt de samenleving normen en waarden voor, maar het ontbreekt datzelfde kabinet aan zelfreflectie over zijn morele staatsrechtelijke verantwoordelijkheid. Daarbij moet het kabinet zich realiseren dat wederkerigheid de grondslag is van de rechtsstaat.
Van Overbeeke wees er al op dat het gedeelte van de bevolking dat zichtbaar betaalt geringer is van omvang en niet georganiseerd in belangengroepen. Het herverdelingsproces wordt derhalve niet alleen omvangrijker, maar het drukt bovendien ─ optisch gezien ─ steeds zwaarder op degenen die zichtbaar belasting betalen.
1)
Onze volksvertegenwoordigers hebben zich georganiseerd in politieke belangengroepen, conformeren zich aan de fractiediscipline. Zij handelen veelal niet meer zonder last of ruggespraak, soms tegen hun eigen geweten in.
Rechtsbescherming
Een belangrijke norm voor de overheid is tevens dat iedere burger, ongeacht burgerlijke staat, een gelijke rechtsbescherming wordt geboden. Voor alleenstaanden wordt deze norm geschonden, hetgeen onverenigbaar is met de rechtsstaat. In verband met de evaluatie van de Wet gelijke behandeling heeft de Commissie gelijke behandeling (CGB) er reeds in haar advies in 2001 op gewezen dat de Awgb alleenstaanden onvoldoende rechtsbescherming biedt.
2)
Bij de tweede evaluatie van de wet heeft de Commissie hierop wederom gewezen.
Thans bereid het kabinet het kabinetsstandpunt voor naar aanleiding van de twee rapporten betreffende deze evaluatie van de Awgb. In de eerste fase van de evaluatie van de Awgb 1999-2004 heeft de CGB de regering geadviseerd nader onderzoek te plegen naar (samen)
leefvormen. Onzes inziens is echter ten onrechte CISA terzake van de tweede evaluatie van de Awgb niet bij het onderzoek betrokken. Bij de eerste evaluatie was dat wel het geval. In het rapport getiteld "het verschil gemaakt" wijst de Commissie erop dat zij de afgelopen jaren verschillende oordelen heeft geveld over de behandeling van alleenstaanden en andere leefvormen en het onderzoek nog steeds actueel te vinden.
De regering betoont zich echter bij herhaling onverschillig ten opzichte van de rechtspositie van alleenstaanden.
Alleenstaand is wettelijk niet als discriminatiegrond erkend. Daardoor kunnen alleenstaanden bij de rechter veelal niet met succes een beroep op het gelijkheidsbeginsel doen.
De rechter kan bij alleenstaanden volstaan met een marginale toetsing en reduceert de toetsing aan het gelijkheidsbeginsel tot een globale toetsing aan het algemene redelijkheidsbeginsel,
het beginsel van willekeur. Daarbij blijft de vergelijkbaarheid van de
gevallen in het licht van het doel en de strekking van de aan de orde
zijnde regeling buiten beschouwing. Dit betekent dat de rechter zich
beperkt tot een beoordeling of de juiste procedures zijn gevolgd en of
de wet correct is toegepast, maar niet of die wet discriminerend is. Hij
laat de daarin opgenomen discriminerende bepalingen onaangetast.
Daardoor worden alleenstaanden veelal als ongelijke gevallen ongelijk
behandeld op grond van overwegingen die niets met de maatregel zelf te
maken hebben. De rechter toetst streng wanneer in een regeling een
'verdacht' onderscheid wordt gemaakt. Van een verdacht onderscheid is
sprake als het onderscheid op een 'verdacht criterium' wordt gemaakt. In
het recht gelden als verdachte criteria onder meer, ras, sekse, seksuele
geaardheid en burgerlijke staat (de laatste is bij de wijziging van 1983 niet meer in de GW opgenomen). Onderscheid op een verdacht criterium wekt op voorhand een vermoeden van discriminatie, en de rechter moet dan strenger aan het gelijkheidsbeginsel toetsen. Bij onderscheid op een verdacht criterium zal hij eerder tot onrechtmatigheid van een nadelige behandeling besluiten. Alleenstaand geldt niet als een verdacht criterium en de rechter zal achterstellend onderscheid eerder aanmerken als 'neutraal' onderscheid. De rechter accepteert voor alleenstaanden discriminerende wetten, ook al is discriminatie overtuigend aangetoond. Vaak worden alleenstaanden als ongelijke gevallen ongelijk behandeld op grond van overwegingen die niets met de maatregel zelf te maken hebben. De rechter besluit ten onrechte dat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden doordat bij toetsing aan het gelijkheidsbeginsel niet de, of alle, in het licht van de regeling relevante factoren in aanmerking worden genomen. Vaak is juiste toepassing van de wet voor de rechter al voldoende om tot een gerechtvaardigd onderscheid te besluiten. Dit betekent dat de rechter in de wet opgenomen discriminerende bepalingen ten aanzien van alleenstaanden sanctioneert en discriminerende wetten onaangetast laat.
Het in wetten neergelegde gelijkheidsbeginsel is bedoeld om gelijke behandeling en bescherming tegen discriminatie van personen en van groepen mensen te garanderen. Daaraan ligt de gedachte ten grondslag dat alle mensen gelijkwaardig zijn, en dat niemand ongelijk mag worden behandeld op basis van verschillen die er niet toe doen.
Hoogachtend,
─────────────────────────
1. M.P. van Overbeeke, Tweeërlei belasting: machtsmiddel van de staat of vorm van samenlevingsgemeenschap. In: Beleid & Maatschappij 1986/3 (pag. 117-125, pag. 117).
2. CGB-advies/2001/05, 18 oktober 2001, advies op het Concept-Standpunt van de regering in het kader van de evaluatie van de Awgb.