|
De Voorzitter van de Directieraad
de heer drs. J.W.E. Neervens
Postbus 4910
6401 JS HEERLEN
Secr. 2003/032
Pensioen alleenstaanden
5 september 2003
Geachte heer Neervens,
Mevrouw J.M. van Buuren, Coördinator van de actiegroep Verontruste ABP-deelnemers (VAD) heeft CISA, Kenniscentrum Alleenstaanden, verzocht uw brief van 12 juni 2003, te beantwoorden. Het betreft uw reactie op de brief van mevrouw Van Buuren, waarin zij haar verontrusting uitspreekt over ondermeer "het gevaar van eenzijdigheid met betrekking tot het ingrijpen bij het beheer van het vermogen na de beurskrach". Zij doelt daarbij in het bijzonder op de groep alleenstaanden.
Ongelijkheid in de pensioenopbouw en de 70%-norm
U stelt dat er geen sprake is van ongelijkheid tussen de pensioenopbouw van alleenstaanden en gehuwden/partners. U baseert uw opvatting op de hantering van één uniforme franchise voor zowel de premiestelling als de pensioenberekening ongeacht burgerlijke staat of geslacht. De ongelijkheid betreft echter de verschillende aanspraken.
Alleenstaande pensioendeelnemers zijn verplicht tot deelname aan de collectieve verzekering voor het overlijdensrisico van deelnemers met een partner. Het risico van overlijden vóór het 65ste jaar van de werknemer met een partner wordt standaard verzekerd, waardoor alleenstaanden aan dat deel van de pensioenpremie geen rechten kunnen ontlenen.
De keuzemogelijkheid om het opgebouwde nabestaandenpensioen (NP) om te zetten in een hoger ouderdomspensioen is beperkt tot het moment op de leeftijd van 65 jaar. Bovendien kent de regeling geen terugwerkende kracht, in tegenstelling tot de regeling voor het, ook collectief geregelde, partnerpensioen voor homoseksuele paren. Alleenstaanden zullen dus pas na 40 dienstjaren na de invoering van de uniforme franchise volgend op de wijziging van artikel 2b PSW, de 12 procent compensatie op het ouderdomspensioen realiseren. Dat is ongeveer het percentage dat alleenstaanden met de hoogte van de destijds ingevoerde uniforme franchise aan pensioenopbouw inleverde. Gehuwden/samenwonenden daarentegen gingen meer aanvullend pensioen opbouwen doordat invoering van de uniforme franchise voor hen een verlaging van de franchise en betekende.
De franchise is blijkens uw brief daarna weliswaar verlaagd, waardoor het aanvullend pensioen voor alleenstaanden beter aansluit aan de AOW voor alleenstaanden.
Desondanks is hiervoor genoemd voordeel thans nog terug te vinden in het totaalpensioen voor gehuwden/samenwonenden van 84,3 procent van het salaris tegenover het totaalpensioen voor alleenstaanden van 72,1 procent. Dit vertaalt zich ook in een hoger NP, zowel voor de risicoverzekering als voor het NP vanaf het 65ste jaar.
Bovendien werden alleenstaanden als gevolg van de drastische uitbreiding van de personenkring waarvoor het recht op partnerpensioen werd ingevoerd, verplicht in toenemende mate mee te betalen aan een verzekering (risicoverzekering) waaraan uitsluitend anderen dan zijzelf rechten kunnen ontlenen.
Wanneer al deze factoren in aanmerking worden genomen, kan men zich in gerede afvragen wat de compensatie per saldo alleenstaanden oplevert.
Één van de, naar onze mening en van diverse pensioendeskundigen, niet steekhoudende argumenten voor het keuzemoment op de voornoemde pensioenleeftijd was, dat de werknemer gedurende zijn dienstverband kon huwen. Dat dit 'probleem' op eenvoudige wijze was op te lossen toont onder meer het volgende voorbeeld aan. Het betreft de regeling van het (particuliere) pensioenfonds in Engeland van het Department of Transport die voorziet in een weduwenpensioenfonds. De bij het Department of Transport werkzame mannelijke ambtenaren, getrouwd of niet, zijn verplicht bij te dragen aan het fonds. Daarvoor wordt een bepaald percentage van het brutosalaris van het nettosalaris afgetrokken. De mannelijke ambtenaar die de gehele periode dat hij onder de bedrijfsregeling viel ongehuwd is geweest, ontvangt bij de beëindiging van zijn dienstverband zijn bijdrage aan het weduwenfonds, vermeerderd met rente, terug. Indien de betrokken ambtenaar overlijdt, valt het bedrag in zijn nalatenschap.
Conclusie
De pensioenregeling is in strijd met het gelijke beloningbeginsel ten nadele van alleenstaanden, doordat als gevolg van de wijziging (op het laatste moment) van artikel 2b PSW niet de in het oorspronkelijke (toegevoegde) artikel 2b volledige compensatie voor het nabestaandenpensioen is opgenomen1.
Tot slot
Mij is uit diverse berichtgeving gebleken, dat de indexering het komende jaar slechts gedeeltelijk zal worden toegepast. Voor mensen met een klein aanvullend pensioen betekent dit een behoorlijke aantasting van hun toch al geringe koopkracht. Hoogachtend,
Het bestuur van de Stichting Centrum
Individu en Samenleving, CISA
Mw. drs. L. de Zwaan
(voorzitter)
1 De wijziging van artikel 2b PSW waarbij de wetgever de in de wet opgenomen toezeggingen niet is nagekomen, betekent eveneens een aantasting van het vertrouwensbeginsel.
|